Woef!
‘Peggy wil een puppy’, vertelt Joost aan mijn moeder. ‘Wees blij dat ze geen baby wil’, mompelt mijn moeder. ‘Het is een grote verantwoordelijkheid, een puppy’, zegt Joost, ‘en ik geloof niet dat ze er goed over na gedacht heeft. Hoe zouden de katten reageren op een puppy? En waar laat ze hem, als ze moet werken?’ ‘Hoe serieus was Peggy over die puppy?’, vraagt mijn moeder. ‘Heel serieus’, neemt Joost, ‘ze heeft fokkers opgezocht, mailtjes verstuurd en telefoontjes gepleegd.’ ‘Dat is niet goed’, zegt mijn moeder met een ernstig gezicht. Joost is blij dat hij een medestander in zijn Joost tegen Peggy’s puppy-wens oorlog gevonden heeft: ‘Nee, het is zeker niet goed. Zo’n puppy moet naar puppycursus en je moet streng en consequent zijn, anders zit je met een onhandelbare hond.’ ‘Dat bedoel ik niet’, zegt mijn moeder, ‘Peggy wil altijd een beestje, als ze troost zoekt voor iets heel ernstigs. Is er iets gebeurt of staat er iets te gebeuren?’ Joost weet het niet en mijn moeder laat het onderwerp verder rusten. Ik zoek ondertussen gewoon verder naar een puppy. Ik kan wel wat troost gebruiken!
