Pitspoes

‘Heb jij jouw vriendje uitgeleend?’, vraagt Truusje aan mij. Ik knik: ‘Aan Treesje’ ‘Aan Treesje?’, zegt Truusje verschrikt en ze slaat haar handen voor haar ogen: ‘Hoe kun je dat nou doen?’ ‘Ze moest naar een feestje en ze wilde echt niet alleen.’ ‘Wat voor feestje?’ Ik haal mijn schouders op: ‘Gewoon een feestje.’ ‘Een kringetjes-verjaardag bij iemand thuis, of een groot feest met drank en drugs?’ ‘Het laatste, vermoed ik.’ Truusje slaat haar handen ten hemel: ‘Je stuurt jouw vriend mee met pitspoes Treesje, naar een feestje met drank en drugs en je denkt dat je hem ongeschonden terug krijgt?’ ‘Natuurlijk’, zeg ik, maar mijn vertrouwen op dat punt neemt af, met ieder woord wat Truusje zegt. ‘Ik help het je hopen’, zegt Truusje somber.

Vriendje komt die nacht niet thuis. Treesje’s telefoon staat uit. Ik haat het als Truusje gelijk heeft!

 


Retraite

‘Je ziet er moe uit’, zegt mijn moeder tegen me. Ik leg mijn hoofd op haar schoot en strijkt met haar hand over mijn haren. ‘Iedereen trekt aan me’, klaag ik. ‘Dat doen ze omdat jij geen ‘nee’ kunt zeggen en omdat ze weten dat je uiteindelijk toegeeft’, zegt mijn moeder. ‘Ik voel me schuldig als ik ‘nee’ zeg en ik wil niemand teleurstellen, maar er zitten maar vierentwintig uren in een dag en ik moet daarvan tenminste zes uur slapen.’, klaag ik. ‘Wie trekken er allemaal aan je?’, vraagt mijn moeder. Ik noem een aantal namen op en mijn moeder telt ze op haar vingers. ‘Ik hoor maar drie of vier zakenrelaties, de rest is privé’, zegt mijn moeder. ‘Klopt’, zeg ik. ‘Juist jouw vrienden zouden moeten weten, dat je al te veel hooi op jouw vork genomen hebt. Ze steunen je niet door nu ook nog eens van alles van je te verwachten.’ Ik slaak een diepe zucht. ‘Telefoon uit, laptop uit, kleding uit en naar bed’, zegt mijn moeder. Ik grijns en terwijl ik haar klaarmaak voor de nacht, bedenk ik dat ik haar advies maar eens op moest volgen… telefoon uit, laptop uit, kleding uit en naar bed, hoeveel vrienden ik daarmee ook niet teleurstel…

 


Rigide

‘Is er iets?’, vraagt Truusje, als ze mijn bedrukte gezicht ziet. ‘Voor het eerst heeft iemand me iets verteld over zijn sexleven, wat gemaakt heeft, dat ik hem in een ander licht ben gaan zien’, zeg ik. ‘Je bent hem in één klap onweerstaanbaar sexy gaan vinden?’, vraagt Truusje hoopvol. Ik schud mijn hoofd. Truusje kijkt me aan: ‘Mijn God, was wat de man verteld heeft, iets wat zo vreselijk is, dat je de zedenpolitie wilt bellen?’ Ik kan een glimlach niet onderdrukken: ‘Nee, natuurlijk niet.’ ‘Wat dan?, vraagt Truusje. Ik haal mijn schouders op en ik vertel Truusje wat de man mij verteld heeft. Truusje slaat haar handen ten hemel: ‘Je hebt achtendertig jaar tegenover een SM club gewoond en daar ter plekke de administratie gedaan. Je hebt een vriendin, die eigenaresse is van een seksclub en je hebt vrienden, die ieder weekend een andere parenclub bezoeken. Dat vind je allemaal prima. maar een man vertelt je iets uit zijn seksuele verleden en mevrouw is geschokt?’ Ik knik. ‘Ik had nooit gedacht dat ik dit ooit zou zeggen, maar wat ben jij bekrompen!‘ Ik zeg niets. Truusje heeft gelijk. Ik ben enorm bekrompen.

Ik ben er alleen nog niet helemaal uit, of bekrompen zijn zo erg is…


Vertrouw roze. Vergeet vlekken.

Ik heb met Henk afgesproken in een café. Ik ben, zoals altijd, laat en hij staat al op me te wachten, zonder shirt. ‘Hoe gaat het, schatje?’, zegt hij. Ik grijns: ‘Nou, ik heb tenminste mijn shirt niet verloren met pokeren’, zeg ik. Henk strijkt met zijn hand door zijn grijze borstharen: ‘Ik heb het niet verloren, mijn vriendin heeft er cocktailsaus op gemorst. Cocktailsaus op een zuiver zijden shirt. Ik kan het wel weggooien.’ Ik kijk naar het oerlelijke felgekleurde zijden shirt en moet concluderen dat Henk gelijk heeft, die vetvlek krijgt hij er nooit meer uit. ‘Is dat net gebeurd?’, vraag ik. ‘Tijdens de lunch’, zegt Henk, ‘een uurtje of vier terug.’ ‘En in die vier uur, had jij niet even de tijd om terug naar huis te gaan om een ander shirt aan te trekken, of om een winkel binnen te gaan om een nieuw shirt te kopen?’ ‘Waarom?’, vraagt Henk, ‘de meiden op straat worden helemaal wild van me.’ Ik kijk naar de enorme gouden ketting om Henks nek, de paardenstaart die alleen oude hippies nog dragen, de grijze borstharen en het bollende buikje: ‘Pardon?’ ‘Ik heb nog nooit zoveel vrouwen naar me zien kijken!’, zegt Henk enthousiast. Ik schud vertwijfeld mijn hoofd, moet ik hem echt vertellen waarom ze kijken? ‘Misschien moet je wel vaker zonder shirt over straat.’ Henk knikt: ‘Eigenlijk wel, hè?’ Ik knik: ‘Eigenlijk wel.’

 


Ten Little Indians

‘Ze ligt wel heel lief naast je’, zegt mijn moeder, met een oog op mijn kat, die lekker tussen mij en mijn laptop ligt. ‘Ze is een kleine lastpost’, zeg ik. ‘Ik weet het’, zegt mijn moeder, ‘soms kan ik me de hele nacht niet omdraaien, omdat ze naast me ligt.’ ‘Ik kan voortaan de poesjes toch uit de slaapkamer halen, zodat je lekker rustig kan slapen’, zeg ik. Mijn moeder kijkt me verschrikt aan: ‘En dan moet ik alleen slapen?’

Dit jaar zijn er twee van onze poezen overleden. De poezen nemen een belangrijke plaats in mijn leven in, maar voor mijn moeder zijn ze gewoonweg onmisbaar.

 


Next page »